home Nieuwsbrieven werk is maar werk
Inspiratie: werk is maar werk
Alain de Botton. Werk is maar werk
De welvaart van de afgelopen jaren heeft ons opgezadeld met onrealistische verwachtingen over wat onze dagelijkse inspanningen ons moeten brengen: zowel geld als betekenis. Nu de recessie toeslaat, is het goed om te beseffen en te accepteren dat werk soms maar gewoon werk is, zegt filosoof Alain de Botton.
Het meest opmerkelijke kenmerk van de moderne werkomgeving heeft, volgens filosoof en schrijver De Botton, niets te maken met computers, automatisering of globalisering. Nee, het is het feit dat we geloven dat ons werk ons gelukkig moet maken. In alle samenlevingen is werk belangrijk, maar onze moderne westerse samenleving is de eerste die ervan uitgaat dat werk iets anders zou kunnen zijn dan een straf. Onze samenleving is volgens de Botton de eerste die ervan uitgaat dat een gezond menselijk wezen zou willen werken, zelfs als hij niet onder financiële druk stond. Bovendien zijn we uniek omdat we ons werk voor een groot deel laten definiëren wie we zijn, met als gevolg dat de eerste vraag die we stellen als we iemand ontmoeten niet is waar hij vandaan komt of wie zijn ouders zijn, maar wat hij doet. Alsof dit het enige is dat een mens maakt tot wie hij is.
Zo is het niet altijd geweest. ‘De Grieks-Romeinse beschaving zag werk als iets dat je maar beter aan slaven kon overlaten’ zegt De Botton. ‘Zowel voor Plato als Aristoteles had je eigenlijk genoeg geld nodig om geen dagelijkse verplichtingen te hebben, zodat je je kon wijden aan het overdenken van ethische en morele kwesties.’
Ook in de vroeg-Christelijke tijd was werk nog een vervelende last, die nog erger werd door het idee dat de mens moest zwoegen om de erfzonde van Adam goed te maken. Pas laat in de 18e eeuw veranderde de houding ten opzichte van werk. In de ogen van denkers als Benjamin Franklin, Diderot en Rousseau was werk niet alleen een manier om geld te verdienen, maar ook een manier om jezelf te ontplooien. Tegelijkertijd ontstond, met name in de VS, de meritocratie: het maatschappijmodel waarin de sociaal-economische positie van een individu gebaseerd is op zijn eigen verdiensten, en dus niet op zaken als afkomst of bezit. Prestigieuze en goedbetaalde banen waren voortaan bereikbaar op basis van intelligentie en vaardigheden, en dat betekende dat dat wat je deed ook iets zinnigs kon zeggen over jou.
In de 19e eeuw veranderden de christelijk denkers ook hun ideeën over geld, met name in de VS. Protestantse kerkgenootschappen suggereerden dat God van z’n volgelingen eiste om een leven te leiden dat zowel in tijdelijk als spiritueel opzicht succesvol was: als iemand veel geld verdiende in deze wereld was dat een bewijs van het feit dat hij een goed plek verdiende in de volgende wereld. Deze opvatting blijkt uit de bestseller van Thomas P. Hunt uit 1836, The Book of Wealth: in which it is proves from the Bible that it is the duty of every man to become rich. Rijkdom werd een bewijs van iemands vroomheid.
In een meritocratie zijn slechte en vernederende banen niet alleen jammer, maar ook – net als hun meer opwindende tegenhangers – verdiend. Geen wonder dat mensen aan elkaar begonnen te vragen wat ze doen, en zorgvuldig naar de antwoorden luisterden. ‘Door onze banen willen we worden wie we in onze ogen zouden moeten zijn: succesvol en gewaardeerd’, stelde De Botton onlangs in Filosofie Magazine. ‘En wat kenmerkend is: het wordt ons ook voortdurend voorgespiegeld dat het kan. Als het niet lukt, is het onze schuld. Boeken als ‘Ook jij kunt succesvol zijn’, worden niet voor niets zo goed verkocht: het kan, is de voortdurende belofte. Jij maakt zelf het verschil tussen succes of mislukking. Jij bent de auteur van je eigen verhaal. Vroeger was dat anders: in oudere, meer hiërarchische samenlevingen werd het lot van een individu grotendeels bepaald door de omstandigheden waarin het werd geboren. Maar de boodschap van onze meritocratische en mobiele samenleving is dat je door zelfvertrouwen, verbeeldingskracht en vaardigheden kunt bereiken wat je toekomt.’
Dit alles bracht een ambitie en optimisme met zich mee die geleid hebben tot overspannen verwachtingen. Al het werk moet nu zinvol zijn en zelfontplooiing bieden, iets wat in de realiteit natuurlijk nooit kan. Sommige banen geven zeker voldoening, maar de meeste niet. En dat kunnen ze ook niet. ‘We zouden er daarom goed aan doen wat meer te luisteren naar de pessimistische opvattingen van eerdere denkers’, meent De Botton. ‘Alleen al om te kunnen stoppen met onszelf te kwellen met het idee dat we niet zo gelukkig zijn in ons werk als ons gezegd wordt dat we kunnen zijn.’
De Amerikaanse filosoof en psycholoog William James wees op de relatie tussen geluk en verwachtingen. Volgens hem worden we niet vernederd doordat we falen. Dat gebeurt pas wanneer we onze trots en eigenwaarde leggen in een te bereiken resultaat, en dat resultaat vervolgens niet halen. Onze doelen bepalen wat wij interpreteren als succes en wat we moeten zien als falen. Onze eigenwaarde in deze wereld hangt dus volledig af van datgene wat we onszelf opleggen om te zijn en te doen.
Als het zo moeilijk is om gelukkig te zijn met je werk, komt dat doordat onze verwachtingen de werkelijkheid vele malen te boven gaan. Wat dat betreft kunnen we volgens De Botton beter bij Marx te rade gaan: voor een organisatie zijn mensen een van de middelen om een doel te bereiken. Het werk dat iemand doet is niet meer en niet minder dan een manier om zo efficiënt mogelijk een bepaald resultaat te bereiken. Geluk en welzijn van de werknemer doen er minder toe.
Niet leuk, maar wel waar. Erger is als we onze ogen sluiten voor de realiteit en onze verwachtingen van ons werk tot extreem niveau laten stijgen. Een sterk geloof in de noodzakelijke ellende van het leven was eeuwen lang de belangrijkste manier van de mens om bitterheid te voorkomen, het was een probaat middel tegen teleurstelling. Dat wordt ondermijnd door het verwachtingspatroon dat de moderne kijk op de wereld met zich mee brengt.
De Botton, in Filosofie Magazine: ‘Misschien verwachten we wel zo veel van ons werk – levensgeluk, zingeving et cetera – omdat we eigenlijk een puur instrumentele opvatting van werk hanteren. We vinden alle producten om ons heen zo vanzelfsprekend, dat we blind zijn voor de moeite en de vreugde die daaraan vooraf gingen. Het is dan geen wonder dat we ook de moeite en de vreugde van ons eigen werk maar moeilijk op waarde kunnen schatten. We hebben simpelweg die houding niet meer, in een wereld waarin alles vanzelfsprekend is. Vervolgens voelen we ons dan tekort gedaan, en verlangen we naar meer betekenisvolle banen. Banen die ons geluk schenken, et cetera. Maar dat is pathetisch pessimisme. Als we goed leren kijken, zullen de meesten van ons zich realiseren dat we die banen allang hebben. En als we dat weten, halen we wellicht veel meer voldoening uit het werk dan we voor mogelijk houden.’
Een van de grote voordelen van de crisis is dat hij onze verwachtingen verlaagt over wat werk kan opbrengen. Sommige van de grotere existentiële vragen verdwijnen. Een gewone baan houden en de recessie overleven is al heel wat. Het scheelt enorm als we onthouden dat werk veel meer te verdragen is als we niet verwachten dat het geluk brengt, maar dat het gewoon een manier is om in je levensonderhoud te voorzien.
Dit artikel is mede gebaseerd op een artikel van Alain de Botton in Management Today, april 2009 en op een artikel in Filosofie Magazine (1/2009).
Boeken van Alain de Botton
Bestel via bol.com
![]()
Een ode aan de arbeid
Alain de Botton
Bestel via bol.com
![]()
De troost van de filosofie
Alain de Botton
Boek: Voluit Leven
Het puberende brein
Column: Moeders, dochters en de orde der dingen
Ik werk dus ik ben?






